• Leny van der Ley, schrijfster
  • Leny Wijnands-van der Ley, historicus

Fragment uit Tante Tanneke en de Tijdtrimmer

(het is rond 1600, de tijdtrimmer is in de 80-jarige oorlog terecht gekomen, ergens bij het Camper Duin)

 

 

Met een gebroken roeispaan dwars achter de deurpost en een dik scheepstouw wordt de hut aan de sloep bevestigd. Even later zitten ze alle drie met hun rug tegen de achterwand. De vloer helt naar achteren, zodat de drempel omhoog steekt en ze uit de deuropening niet veel meer zien dan een blauwe lucht waarin grote witte stapelwolken drijven. Niet ver voor hen uit horen ze het plonzen van de riemen in het water en het kraken van het touw. En ze horen de rauwe grappen en grollen van het scheepsvolk.

‘Volgens mij zijn het geen kooplui, Tanneke,’ fluistert Rosanna die aandachtig heeft zitten luisteren.

‘Zo,’ zegt die effen, ‘en waarom denk je dat, kind?’

‘Nou, ze hebben het alleen maar over vechten en de Spanjolen op hun donder slaan en over wat ze allemaal hebben buit gemaakt. En over die goeie ouwe Bessie. Maar ze hebben het niet over de zeven zeeën waar jij van vertelde of over handeldrijven en zo. En ook niet over spullen en wat het zal opbrengen.’

‘Hm. Ja, dat heb ik ook bedacht. Wat denk jij dan dat ze zijn?’

‘Weet je Tanneke, ik wil niemand bang maken hoor, maar ik denk dat het kapers zijn. Zeerovers. Misschien had je toch wel een beetje gelijk met je slavenschip.’

Het komt er wat schaapachtig uit, en tante glimlacht vriendelijk.

‘Nee kind, dit zijn geen slavenhandelaars. Heb ik jullie al verteld wie er in de 80-jarige oorlog in schepen langs de kusten zwierven, om Spaanse schepen aan te vallen?’

Nu valt er blijkbaar een muntje in Rosanna’s hoofd.

‘O ja, ik weet het al! De Geuzen! De Watergeuzen van Den Briel!’ roept ze.

De hut schommelt, het touw valt even slap.

‘Wat? Wat was dat? Wie zei dat?’ klinkt het verward voor hen uit.

‘Vooruit mannen, niet zeuren, roeien!’ klinkt die bevelende stem van daarnet, ‘Vragen doen we straks wel, daar op het Camper Duin.’

Het touw trekt weer aan en de tijdtrimmer hangt weer achterover.

‘Nou weet je meteen waar we zijn,’ fluistert tante onverstoorbaar, ‘en je begrijpt zeker wel wat je straks te doen staat?’

Rosanna schudt met een vragend gezicht van nee.

‘Zodra we uit het water getrokken zijn zal die aanvoerder ons het een en ander te vragen hebben. Laat mij de antwoorden geven en alsjeblieft, Rosanna, geen eigen verzinsels, geen ondoordachte plannen! Het enige wat héél verstandig zou zijn, is om te gaan zingen als ik je het teken geef.’

‘Zíngen?’

‘Je weet toch wel wat zingen is, niet? Doe niet zo knullig, Sanna.’

‘Maar wat moet ik dan zingen?’

‘Kies maar, kind. ‘In naam van Oranje,’ of ‘De Zilvervloot’ of het ‘Wilhelmus’. Of iets in het Engels. De Watergeuzen zijn gek op Engeland sinds hun oude koningin Elisabeth, ‘good old Bessie’, haar havens voor hen openstelt. Ze zullen het kunnen waarderen, denk ik.’

 

Dat blijkt heel goed ingeschat van tante Tanneke. Als de houten doos eenmaal hoog boven de vloedlijn is getrokken, is voor beide partijen het ogenblik aangebroken om elkaar eens wat beter te bekijken. Hun kleding, hun gedrag en hun spraak zijn nogal ongewoon in de ogen van de zeelieden.

‘Alle donderbussen op een houtvlot,’ gromt de aanvoerder, ‘Ik moet er haring of kuit van hebben, vrouwmens, voordat ik je laat gaan. Je kon wel een vuile spion van de Spanjolen wezen.’

‘Waarom zegt toch iedereen vrouwmens?’ bemoeit Rosanna zich met het gesprek, wat haar een boze blik van haar tante oplevert.

Om een of andere reden vindt bevelvoerder Lumbaay die kinderen wel grappig. Ze zijn brutaal en ze kijken fier en frank uit hun ogen. Het lijken wel geuzen! Lachend zegt hij:

‘Wat moet ik dan zeggen? ‘Mevrouw’ is tegen een edeldame, en ‘vrouw’ is tegen je eigen wijf. ‘Liefje’ zeg je tegen een vrouw met wie je, eh, nou ja. Maar tegen een gewone vrouw van wie je niks niet weet, zeg je vrouwmens. Weet niks beters.’ Nieuwsgierig voegt hij er aan toe: ‘Wat zeggen jullie in zo ‘n geval?’

Rosanna snapt dat deze Lumbaay niet gek is. Uit haar antwoord kan hij veel begrijpen. Of juist niet, en dan wordt hij nog achterdochtiger. Smekend kijkt ze naar haar tante, maar die haalt met enig leedvermaak haar schouders op, en laat haar zelf aanmodderen.

‘Waar ik vandaan kom, zeggen we uit beleefdheid tegen iedereen ‘mevrouw’, juist als we niks niet weten.’

De grote zeeman schatert.

‘Ah, ik snap het. Zit altijd goed, hè? Nooit niet te laag gemikt. Zal ik onthouden!’

Dan voegt hij er slim achter: ‘En waar kóm je vandaan?’

Zonder nadenken antwoordt Rosanna: ‘Uit Moordrecht.’

Er valt even een stilte. De grote man kijkt weifelend van het meisje naar de jongen en de vrouw.

‘Moordrecht? Waar mag dat wel wezen?’

‘Het is een klein plaatsje, tussen ...’ inderhaast bedenkt Rosanna welke plaatsen er in 1600 al waren?  ‘... tussen Gouda en Rotterdam,’ zegt ze dan, met een hartklopping van onzekerheid.

Een van de matrozen bromt:

‘Der staan enkelt maar wat molens die kanten uit, langs de Drecht. Der is gin kerk, der is gin chirurgijn, zelfs gin taveerne.’

Een ander mummelt als antwoord:

‘Het bent vuile spionne van Spanje, zeit ik ‘et niet?’

Maar ze praten zo zacht dat hun kapitein het niet lijkt te horen.

‘Moet wel een verrékkes klein plaatsje zijn dat ik het niet ken,’ bromt kapitein Lumbaay, ‘maar goed, … kan wel, zal wel. En hoe komen jullie dan helemaal hier bij het Camper Duin te varen in een huis dat niet om te varen is? Jelui hadden met gemak kunnen verdrinken in die storm van gisteravond. Zelfs wij zijn met onze goede schepen in het zicht van de kust voor anker gegaan om veilig te zijn.’

‘Nou, onze hut was hierheen ge ... eh, gewaaid door de storm, maar dat was bij eb. Toen kwam de vloed en daardoor sloegen we aan het drijven. Zo is het gekomen.’ Haastig gaat Rosanna op een ander onderwerp over. ‘En nu staan we gelukkig weer aan wal, dankzij uw hulp. We zijn u heel erg dankbaar, meneer Lumbaay.’

‘Ja, dat is wel in orde. Maar waar vandaan was jullie hut dan op het strand gewaaid? Hoe kan dat?’

Tante staat met opgetrokken wenkbrauwen deze ondervraging te bekijken. Ze bedenkt hoe slim het van die man is om Rosanna te ondervragen en niet haarzelf. Een kind kan niet veinzen en spreekt de waarheid. Zo vallen volwassenen door de mand. Is Rosanna slim genoeg om een idioot verhaal te verzinnen dat niet kan worden gecontroleerd? En ze kan geen aanwijzing geven, dat zou het maar erger maken.

Rosanna worstelt met hetzelfde probleem. Die begrijpt ook opeens dat die man expres bij haar is begonnen en niet bij Tanneke. Maar tante heeft haar nog zo op het hart gedrukt om geen verzinsels op te dissen ... Ze probeert een middenweg te varen, met een mengsel van feiten en algemene waarheden en verleden en tegenwoordige tijd. En Willie’s handbewegingen helpen haar daarbij…

‘Ziet u, meneer Lumbaay, dit is mijn tante en ze woont in de duinen. Niet zo ver hier vandaan. Mijn broertje en ik logeren zolang bij haar. In Moordrecht kan je immers niet blijven als daar die soldaten zijn en al die verwarring en zo. Maar de Spanjolen worden heel boos als je over de Geuzen zingt. En dan straffen ze mensen. Door ze hun huis uit te gooien en het in brand te steken. En tante bouwde voor ons drieën een hut. Maar vrouwenbouw kan nooit zo stevig worden als dat een grote sterke man het doet. Daardoor kon de storm hem naar het strand waaien. En toen kwam de vloed opzetten, zonder dat wij het merkten. Het is eigenlijk mijn schuld, ziet u, want ik ben degene die steeds loopt te zingen. Maar het zijn zulke leuke liedjes.’

Zonder zich te laten uitnodigen draait Rosanna haar hele repertoire af. Bij het ‘In naam van Oranje doe open die poort!’ wordt wild meegezongen, onderbroken door ‘hoera’ geroep. Bij het statige ‘Wilhelmus’ staan de ruwe klanten op. Ook dit wordt uit volle borst meegezongen. Hand op het hart. Maar tot haar grote verbazing kent niemand het lied van de Zilvervloot. Er wordt aandachtig naar de woorden geluisterd, en ernstig geknikt, maar niemand zingt mee. Aan het eind van het lied wordt het heel stil. Iedereen kijkt vol verwachting naar de aanvoerder. Die krabt nadenkend in zijn baard.

‘Ja, ja,’ zegt hij peinzend, ‘Jelui kent een hoop mooie liederen. En je lijkt me goed volk toe. Maar dat van die Zilvervloot. Zingen ze dat in Moorsloot of wat was het?’

‘Moordrecht. Ja, dat zingen we daar.’

‘Wie is die Piet Hein?’

‘Nou, dat is toch een zeekapitein. Hij verovert een zilvervloot op de Spanjaarden en hij brengt al het geld naar Ned... eh, naar de Oranjepartij.’

‘Is dat echt gebeurd? Wanneer dan?’

Rosanna krijgt het nu toch wel benauwd onder al dat gevraag.

‘Om eerlijk te zijn, dat weet ik niet precies. Misschien heeft iemand het liedje gemaakt in de hoop dat het ooit eens zou gebeuren. Maar misschien is het ook echt gebeurd. Ik vind het gewoon een mooi liedje. Het is zo vrolijk.’

En terwijl ze het refrein herhaalt, begint Rosanna in het rond te dansen.

‘Zijn daden benne groot, hij heeft gewonnen de zilvervloot!’

De grote man Lumbaay schiet in de lach. Dan kijkt hij naar de vrouw en zijn gezicht wordt ernstig.

‘Vrouwmens, spreekt je nicht de waarheid?’ vraagt hij en nu is zijn stem streng.

‘Ja, meneer Lumbaay, alles wat ze zegt is woord voor woord waar. U weet zelf toch ook wel hoe wreed de Spanjolen zijn tegenover de opstandigen die Oranje steunen?’

‘Ja. Ja, natuurlijk.’

Dan gooit kapitein Lumbaay het over een andere boeg. Hij kijkt naar de lucht en naar het water en staat op.

‘We moeten snel aan boord gaan. Het tij is aan het keren. Maar ik heb nog wat meer vragen en jullie gaan dus met ons mee. Je hutje staat nu veilig, zo hoog tegen het duin aan. Als we weer in de buurt zijn dan brengen we jullie hier terug.’

‘W-wanneer zijn jullie dan weer hier in de buurt?’ hakkelt Tanneke verschrikt.

Een onverschillige schouderophaal.

‘Ach, zo de wind ons voert en zo de omstandigheden het ingeven. We moeten ook leven. Soms brengen we goederen van Engeland naar hier. Of andersom. Als we een Spanjool tegenkomen gaan we in de slag. Brengen ‘m tot zinken. Of we enteren en nemen de buit in beslag. In naam van Oranje. Soms gooien we de netten uit, en dan eten we vis tot we geen graat meer kunnen zien. Soms verkopen we het overschot aan een passerend handelsschip. We leven bij de dag.’

‘Maar dan zijn we misschien wel maanden onderweg!’ jammert Rosanna.

Ook Tanneke protesteert heftig. Maar er helpt geen lieve-moeder aan. Een van de zeebonken neemt Rosanna gewoon onder de arm als ze niet in de sloep wil stappen. Haar spartelende benen brengen tante tot het besluit dat ze liever zelf loopt. De enige die stralend van blijdschap meegaat, is Willie. Hij vindt het prachtig om op een echt Geuzenschip te komen. Met glinsterende ogen klimt hij aan boord van de sloep. Er wordt niet gezongen of gegrapt; de matrozen trekken nu hard aan de riemen. Veel sneller dan gedacht naderen ze het voorste zeilschip. Meteen als de sloep langszij draait worden de ankers gelicht. De matrozen gaan via de touwladder aan dek, maar Lumbaay beduidt dat de gasten moeten blijven zitten.

‘We takelen jullie wel op.’

Het is griezelig om met boot en al uit het water omhoog gehesen te worden. Gelukkig gaat dat heel snel. Blijkbaar hebben de Geuzen haast. Ze staan nog maar net aan dek of daar klinkt al het bevel:

‘Hijs de zeilen! Koers westnoordwest.’

Met veel geraas vallen de zeilen uit hun riemen. Meteen daarna kraken de touwen waarmee de zeilen omhoog worden getrokken. Aan elk touw trekken wel drie of vier matrozen, want de eeuwige winden zetten direct druk op het zeil. Het houten schip maakt krakende geluiden, weer heel anders dan het rekkende kraken van de touwen. De zeilen klapperen, ook al staan ze strak gespannen. De geur van hout en teer en touw en zout is overal om hen heen. De zeewind is niet meer dan een bries. Hij speelt met hun haren en hun kleren. Willie staat wijdbeens op het dek, net als de matrozen, met één hand aan de reling. Zijn haren krullen erger, door de vochtige zeelucht. Met ogen als sterren ademt hij diep de zilte lucht in. Zijn ogen zien het water dat diep beneden hem langs de houten scheepswand bruist, en kijken dan weer recht vooruit naar de horizon, die niet meer dan een vage streep is. Zijn benen vangen automatisch het rollen en stampen van het schip op als het door de branding klieft, op weg naar open zee. Dit is nog eens een avontuur!