• Leny van der Ley, schrijfster
  • Leny Wijnands-van der Ley, historicus

 Nooit meer stil – essay.

 

 

De geschiedenis van Nederland in geluiden

 

De ontwikkeling van een land – elk land – kan worden geschreven in termen van geluiden. Want bij elke ontwikkelingsfase hoort specifiek geluid. Hier volgt, in brede penseelstreken geschetst, de geschiedenis van ons land aan de hand van geluiden.

 

In de verre prehistorie was het westen van ons land nog een zompige moerasdelta,  en de hogere gronden in het oosten bestonden grotendeels uit oerbossen en zandverstuivingen. De geluiden waren aanvankelijk, toen er nog geen menselijke wezens woonden, alleen natuurgeluiden. Het eentonig ruisen van een kalme zee, of het bulderen van een door storm opgezweepte vloed; het murmelen van een beekje, het gorgelen of klateren van vallend water. Het klagende roepen van meeuwen langs de kusten, het piepen en tjilpen en kwetteren van andere soorten vogels meer in het binnenland; in de nacht de roep van een uil, het keffen van een vos, het piepen van bosmuizen, het gehuil van wolven die hier toen nog veel voorkwamen. In de herfst het burlen van herten en reeën en ander groot wild. Tijdens de voor- en najaarstrek het stampend geluid van honderdduizenden hoeven, als wisenten en oerossen de ene seizoensplek verlieten voor de andere.

 

Ook de wind blies haar partijtje mee; ze lispelde in het voorjaar door het jonge groen, zuchtte loom in de zomerhitte, waaide ruisend door het vermoeide groen van de vroege herfst, gierde als venijnige stormwind van najaar tot winter, met altijd het ritselen van vallende bladeren in haar kielzog. Soms leidde een storm tot een vreemd ratelend gekraak, als bomen braken onder het geweld, of ontwortelden en dreunend neer ploften.

 

De eerste bewoning van ons land verliep traag en onregelmatig, maar die verandering bracht wel nieuwe geluiden met zich mee. Het zacht glijdende geluid van voetstappen in droog zand; het kletsen van moeizame stappen in vochtige klei. De bijlslagen in bomen die werden gekapt, om huizen en werktuigen, vlotten en boten te bouwen. Het plonzende geluid van vaartuigen die met peddels werden voortbewogen. Menselijke stemmen die elkaar aanwijzingen gaven, die elkaar hielpen of ruzie maakten. Sonore mannenstemmen, hoge stemmen van vrouwen en kinderen. Lachen en huilen; zingen, snurken en schelden, kortom, alle geluiden die samengaan met menselijke aanwezigheid. De geluiden van de jacht: het snorren van een pijl of speer en de doodskreet van het getroffen dier. Het kervend geluid van een mes dat het vlees in delen snijdt, het maken van vuur, het knetteren van takken en bladeren in de verterende vlammen. En ja, het  smakken dat klinkt als mensen met de mond open eten, het opboeren en andere geluiden die ook de moderne mens niet altijd weet te onderdrukken, of die hij preuts verbergt achter de deur van het kleinste kamertje.

 

Dit tamelijk primitieve geluidsstadium bleef lang bestaan. Pas toen de bevolking snel begon te groeien en de mensen in dorpen en andere gemeenschappen gingen samenklonteren, kwamen er andere geluiden bij. Godsdienstigheid bestaat al zo lang als er mensen zijn, maar de natuurgodsdiensten werden langzamerhand verdreven door meer gestructureerde vormen van geloven. Er werden kerken gebouwd. Om de mensen te waarschuwen, werden er klokken in de kerktoren opgehangen. Niet alleen maakte de koster het kerkvolk met de lichte klok opmerkzaam op de op handen zijnde kerkdienst, maar ook, met de zwaarste bronzen stem, als waarschuwing voor gevaren als overstroming, veenbrand, oorlog. Dat geluid galmde wijd uit; niet alleen over het dorp, maar over de landerijen en boerenerven kilometers ver weg.

Op de boerderijen kwamen geluiden voor die men in dorp of stad niet kende. Het geklepper van klompen op de deel, het gerammel met melkemmers, het sissende geluid bij het melken van koeien, geiten en schapen. Wie ooit wel eens kippen heeft gevoerd, kent het geluid van het ruisend neervallen van de voederkorrels en onmiddellijk daarna het fladderende, kakelende pandemonium dat daardoor ontstaat.

Er kwamen jaar- en weekmarkten, met kooplieden die luidkeels hun waren aanprezen, zoals ze dat vandaag de dag nog steeds doen. ‘Aarebeien, mooie aarebeien, een hele slof en het is voor de geef mevrouwtje.’ Sommige dingen veranderen niet. Het loven en bieden op de veemarkt, weer een ander geluidspalet, ingekleurd door dierengeluiden en het geklets van de handklap. ‘We zijn het eens. Hand er op.’ Hinnikende paarden, loeiende koeien, schapen en geiten die blaten; kippen in manden die kakelend naar elkaar pikken.

Mensen werden het zat om door de modder te lopen; ze legden stenen neer, ze maakten straten. Ze bouwden karren om goederen te vervoeren. Het geratel van wielen over de keien werd een nieuw, herkenbaar geluid. Zo ook de hoefslag van ruiters. De betere verbindingen leidden daarnaast tot een groeiende behoefte aan kennis over de wijdere omgeving. Dorpsomroepers trokken van streek naar streek. De luide handbel op het plein lokte nieuwsgierigen hun huizen uit om te horen wat er gezegd ging worden. Hoort, zegt het voort.

Ondertussen was er door de meer compacte vormen van samenleving ook meer arbeidsdeling ontstaan. De smid smeedde het ijzer, en het slaan van de smidshamer op heet ijzer weerklonk door de straat. De timmerman maakte meubels, en het geklop van zijn hamer reikte eveneens voorbij zijn werkplaats. Net als het lichtere, kloppende geluid van de schoenlapper. De slager slachtte nog zelf; de bakker bakte brood voor de buurt, de groenteman kwam met mandenvol groente van zijn tuin. Al die beroepen maakten kenmerkende, en dus herkenbare geluiden bij het volvoeren van hun ambacht. De volgeladen karren waarmee ze ‘de boer op’ gingen om hun producten te slijten, hun roep in de straten, en in hun winkelnering het rinkelen van de deurbel. ‘Klanten!’

 

Zelfs in de vorm van oorlogsvoering is een verandering van geluiden merkbaar. Vóór de uitvinding van het buskruit was het vechten kleinschalig, een veredelde vorm van stammenstrijd, met de middelen van die tijd: zwaard, speer, pijl en boog, later uitgewerkt tot handboog, voetboog, kruisboog. De geluiden waren beperkt qua reikwijdte. Het zoeven van een pijlenregen, gevolgd door kreten van pijn; het slaan van zwaard tegen zwaard. Het gebonk van een stormram op een versterkte houten deur. Dergelijke geluiden hoorden alleen de betrokkenen: belegeraars en belegerden, en ooggetuigen die dit geweld op enkele mijlen afstand waarnamen.

Toen buskruit als strijdmiddel beschikbaar kwam, waren het de luide knallen van het ontploffende kruit, gevolgd door het denderen van de kogels tegen een stadsmuur. Niet veel later kwam het schieten met geweren en ‘veldslangen’ erbij. Het geknal en geschreeuw was niet van de lucht. Toch was oorlog in principe een strijd van twee staande legers, en het geluid reikte niet zo gek veel verder dan de naaste omgeving.

In de twintigste eeuw ontwikkelde zich het concept van de ‘totale oorlog’, een gevecht zonder de ridderlijke mores van vroeger tijden, waarbij ook onschuldige burgers in de hele streek, het hele land, geslachtofferd werden. Maar pas in de 2ewereldoorlog kwamen daar bombardementen vanuit vliegtuigen bij. Overlevers herkenden met kille schrik het gierende geluid van het neerdalend bommentapijt, met gigantische ontploffingen op de grond en het knetteren en laaien van de vaak onmiddellijk uitbrekende branden, zo heet dat zelfs menselijk gebeente er van smolt; en er kwamen  tanks met hun ratelende rupsbanden, die met veel lawaai vuurballen uitstootten, massamoorden zo heftig dat de tranen leken op te drogen en het geweeklaag leek te verstommen…

De stilte van een massagraf is niet vredig; het is ijzingwekkend luguber.

 

We moeten even een stukje terug.

Bij het naderen van de vroegmoderne tijd groeide het aantal mensen dat kon lezen en schrijven. Eerst in de kloosters, later in schoolgebouwen, klonk het gekras van griffels op leien en van kroontjespennen op papier. In de avondlijke stilte kon een huisgenoot behalve het sputteren van kaarsen of later het suizen van een olielamp ook het omslaan van bladzijden horen, als iemand bij kunstmatig licht zat te lezen. En er kwamen geluiden van steeds modernere drukpersen; het tik – klap – zoef, als een blad papier werd voorgeschoven, bedrukt en weggeschoven, in een telkens versnellend tempo.

Er kwamen almaar meer machines, en al die machines brachten hun eigen geluiden mee. Maar een van de grootste veranderingen in geluiden kwam door de uitvinding van stoom als aandrijving. In de mijnen die steenkool en ijzer uit de grond haalden, kon nauwelijks worden gewerkt zonder pompen die het water uit de mijngangen zogen. Dat regelmatige tsjak – sloem, tsjak – sloem, tsjak – sloem was een geruststelling voor de mijnwerkers. Zolang de pompen draaiden, zouden ze niet verdrinken in een vollopende mijn.

IJzer en kolen waren hard nodig: de stoomboot was al uitgevonden en daarmee de behoefte aan sterke stalen ketels, maar nu kwam ook de stoomtrein er bij. IJzeren wagons, op ijzeren rails, moesten meer en meer goederen en mensen vervoeren. De wereld werd haastiger, en lawaaiiger. Het schuivende, bonkende geluid van het snel in- en uitladen van goederen, de gehaaste voetstappen van in- en uitstappende mensen, de  vergrendeling van de wagondeuren en het dichtklappen van de coupédeuren, de schrille fluit van de stationschef, het schurend gekreun van het op gang komen van de trein. Onderweg de snerpende fluit als er stoom afgeblazen moest worden, het kedeng-kedeng dat voor de passagiers hoorbaar en voelbaar was als de wielen van het ene stuk rails naar het andere reden; het vreemde zingen van de rails dat voor de toeschouwer langs de spoorlijn lang tevoren hoorbaar werd voordat er weer zo’n ijzeren monster naderde; het waren allemaal nieuwe geluiden in een wereld die allang niet meer stil was te noemen.

 

Maar er kwam nog wel wat bij.

Het was de tijd van de industriële revolutie. Steeds meer apparaten werden aangedreven door stoom; het lawaai in de fabriekshallen was oorverdovend. Spinnerijen en weverijen, allerlei vormen van (deel-)fabricage; naaiateliers opeengepakt met honderden snorrende trapnaaimachines. Er was niet overheen te schreeuwen. En er werd een voertuig uitgevonden dat door verbranding van benzine werd voortbewogen. Het geluid van de brommende automotor, van over de weg zoevende banden, het toeteren en het gierend remmen, het gegil bij ongelukken; het was nieuw. En verschrikkelijk.

Dat was tegen het eind van de negentiende eeuw. Niet veel later kwam de tijd van dokkerende autobussen en elektrische trams die met een hoog schurend geluid van ijzer op ijzer bochten namen. Maar het duurde niet zo lang of er ontstond een vorm van ‘hemels’ lawaai. In de jaren twintig van de vorige eeuw kwam daar namelijk het vliegtuiggeluid bij. Een tot dan toe ongekende vorm van nieuwe herrie, hoog in de lucht en dus tot kilometers ver te horen. Ook de helikopters zijn niet meer uit ons huidige geluids’boeket’ weg te denken.

En er werden radio’s uitgevonden. Als alle apparaten in de fabrieken stil stonden, dan was het nog niet stil. De hele dag en avond kon men het geluid van radio’s uit huizen horen, vooral als in de zomermaanden de ramen wijd open stonden.

Er kwam nog meer lawaai. Brommers, scooters, motoren en vervolgens de televisie, die tegenwoordig bijna 24 uur per dag uitzendt, op ‘tig’ kanalen. En laten we de huishoudelijke apparatuur niet vergeten. Stofzuigers, mixers en andere keukenmachines, wasmachines, wasdrogers, vaatwassers, ovens, magnetrons. Ze werken op elektriciteit, maar dat maakt ze bepaald niet geruisloos. Wie kent die geluiden niet?

 

Er is misschien maar één groep geluidsbronnen die is verdwenen, of tenminste sterk gereduceerd. Dat is de moderne kantoor-apparatuur. De herrie van die ouderwetse rammelende, schokkerige boekhoudmachines, van de telexen, de faxen, het gebonk van ponskaartmachines, het geratel van niet-elektrische schrijfmachines; dat alles is vervangen door de computer. Weliswaar niet helemaal geruisloos, maar het geluid van het zachte tikken op een toetsenbord is een verademing, vergeleken bij de herrie van de bovengenoemde apparatuur. De telefoons zijn stiller geworden, al plagen ze ons gehoor tegenwoordig wel overal waar mensen zijn. Het zijn vooral de telefonerende mensen die veel decibellen produceren. Het aantal ‘ring’tones’ is zo ongeveer oneindig; we kunnen opschrikken van een brullende leeuw in de jas van een medepassagier in de trein, of van een loeiende sirene uit de rugzak van een fietser.

Er zijn dus wel wat lichtpuntjes, al zijn ze klein.

 

Wij, de mensheid, maltraiteren die arme Moeder Aarde met, alles bij elkaar, een oorverdovend geruis, gezoem, gepiep, gekraak, getoeter, gebonk en al die andere geluiden. Een mens zou er horendol van worden. Maar Moeder Aarde laat het grotendeels zwijgend over zich heen komen. Een enkele maal protesteert ze, met een eruptie van vuur en brandende steen, en ook dat geeft geluid. Het knallen van opgeworpen gesteente, het knetteren waar de gloeiende lava alles laat branden wat brandbaar is; het sissen als van duizend slangen, gepaard gaand met enorme wolken stoom, als die lava in zee stroomt. Soms schudt de aarde zich in vergeefse afweer. Dat veroorzaakt aardbevingen en vloedgolven. Hoe dat klinkt, weten we inmiddels allemaal, dankzij de televisie. Onze verbeelding kan dat zien als vormen van wraak van de oververmoeide planeet op de bewoners van haar overvolle aardkorst.

 

Dit is de geschiedenis van de geluiden in ons land. Tot dusver.

 

De vraag rijst: waar kunnen we nog echte stilte vinden, waar is zo’n plek waar alleen die pure natuurgeluiden onze oorschelp bereiken? Nou, misschien op een onbewoond eiland, of ergens in de grenzeloze toendra’s van Siberisch Rusland. Of we vinden, iets dichter bij huis, nog een rustig plekje op de spreekwoordelijke Mookerhei of daaromtrent, waar geen tv- of radio ontvangst is, waar niemand woont, geen vliegtuigen of zoemende drones overvliegen en waar geen gemotoriseerd verkeer kan komen…

 

2213w

 

Maak een Gratis Website met JouwWeb