• Leny van der Ley, schrijfster
  • Leny Wijnands-van der Ley, historicus

Waarom is vrede tussen Israeli’s en Palestijnen onmogelijk?

 

Iedereen die met zorg naar de ontwikkelingen in Israel kijkt, stelt zich diezelfde vraag. Niemand kan het volledige antwoord geven. Er zijn wel wat losse opmerkingen over te maken. Opmerkingen die het probleem verhelderen, al is hun boodschap niet erg hoopgevend.

 

Israeli’s en Palestijnen zijn twee etnisch, cultureel en linguïstisch verschillende groepen, die elkaar ook nog eens religieus vijandig gezind zijn. Deze twee groepen claimen beide, op grond van vermeende antieke of recentere rechten, het recht op het bewonen van dat stukje aardkorst dat we Israel noemen. De antieke claims komen voort uit de Bijbel. Vanouds claimen de Joden het land Israel als het rechtmatig erfdeel van hun stamvader Abram (of Abraham), een erfdeel dat hem door Jahweh God geschonken zou zijn. Dit goddelijk geschenk staat vermeld in de eerste van de Joods-Christelijke Bijbelboeken, om precies te zijn in Genesis 12 en verder.

Israel mag later overheerst zijn geweest door Egyptenaren en Babyloniërs, door Meden en Perzen, door Syriërs en Seleuciden en Macedoniërs, door Grieken en Romeinen, door Arabieren en ook eeuwenlang door Turkse dynastieën, dit alles doet volgens de Joodse opvatting niets af aan dat antieke, door God zelf gegeven recht. Alle Joden in de verstrooiing (de Diaspora) droomden eeuwenlang van een terugkeer naar dit Vaderhuis, hoe utopisch die wens bij tijden ook leek. Overal in Europa en rond de Middellandse Zee werden de Joden reeds vanaf de vroege Middeleeuwen gediscrimineerd, en het van tijd tot tijd heftig oplaaiende antisemitisme wakkerde die droom van een eigen Joods vaderland steeds opnieuw aan. Het Zionisme dat aan het eind van de negentiende eeuw in midden-Europa opkwam was daar de moderne belichaming van. Aan het eind van de eerste wereldoorlog bleven de vage toezeggingen over een eigen Joodse staat steken in het politiek-strategisch moeras. Pas na de tweede wereldoorlog, mede onder invloed van de geleden verschrikkingen van de Holocaust, deden de geallieerden hun belofte gestand. In 1948 was de nieuwe Joodse staat Israel een feit. En meteen ook begon het Palestijnse probleem.

 

Want die nieuwe staat was geen onbewoond stuk land, waar de Joodse immigranten vrijelijk over konden beschikken. Het land, dat ruwweg vier eeuwen door de Turkse sultan was overheerst, was na de eerste wereldoorlog, samen met de Libanon en Syrië, onder Brits mandaat gekomen. De aloude bewoners noemden zichzelf Palestijnen en hun land Palestina. Hun cultuur en taal hadden geen enkele verwantschap met die van de Joden en hun godsdienst was de Islam - niet zo verwonderlijk na eeuwen onder Turks bestuur. Zij claimen afstamming van de Philistijnen (laat de ‘h’ weg en je hoort de klank-overeenkomst) die ook al in datzelfde bijbelboek Genesis worden genoemd, en zij gebruiken dezelfde tekst als de Joden om hun gelijk te bewijzen. Abram, is hun redenering, ‘kreeg’ het land van zijn God, maar hij moest wel eerst de oorspronkelijke bewoners verjagen - ja, de Philistijnen dus. Volgens de Palestijnen bewijst de Bijbeltekst alleen maar dat de geschiedenis zich heeft herhaald. Zoals Abram indertijd, zo wilden de binnenstromende Joden vanaf 1948 het ‘Palestijnse probleem’ oplossen. ‘Accepteer Joodse overheersing of ga ergens anders heen.’ En net zomin als Abram indertijd in zijn recht stond, stonden de 20e eeuwse Joodse kolonisten (bezetters!) in hun recht, vinden de Palestijnen. Na al die eeuwen kan men zich toch al niet meer op zoiets beroepen, zelfs als er lang geleden wel iets van een recht zou zijn geweest. Dit is ons land, zeggen de Palestijnen, al eeuwenlang hebben onze voorvaderen hier gewoond en het land bewerkt. We laten ons niet zomaar van deze erfenis van eeuwen wegjagen. Wie zou dat recht hebben, en waar zouden we heen moeten? De stichting van de Joodse staat noemen zij een fundamentele westerse denkfout, doorgedrukt met westerse politiek-militaire macht. Vanuit die optiek is het dan ook wel te begrijpen dat de omringende Islamitische landen in 1948 onmiddellijk in actie kwamen.

Maar de jonge staat Israel, zwaar gesteund door de westerse mogendheden, heeft zich tot op heden weten te handhaven. Het Palestijnse probleem ook. Het is nu eenmaal onmogelijk om één land aan twee volkeren te geven. Zelfs een verdeling in ‘overwegend’ Palestijnse of Joodse gebieden kan slechts dan tot een oplossing voeren als beide partijen bereid zouden zijn tot zeer wezenlijke en diepgaande compromissen. En tevens tot het aanvaarden van ‘de anderen’, zo dicht op de eigen levenssfeer. Zelfs zonder oorlogszuchtige neigingen is dat moeilijk genoeg, tussen twee groepen die absoluut niet willen assimileren, die liefst zouden weigeren elkaars taal te spreken en die dat andere geloof als vijandig zien. Maar in de sfeer van geweld en moordzucht die beide partijen nu beheerst, is vreedzame co-existentie een onmogelijkheid. Toch zijn die groepen tot elkaar veroordeeld. Veel Palestijnen werken bij Joodse bedrijven voor hun dagelijks brood, en die Joodse bedrijven zouden zonder Palestijnse werknemers ten onder gaan. Ze hebben elkaar nodig, ook al haten en wantrouwen ze elkaar. De Palestijnse gebieden zijn te klein en te arm voor een zelfstandige nationale economie. De Joodse economie kan niet zonder Palestijnse arbeid. En andersom kunnen de Palestijnen niet zonder de Joodse werkgelegenheid. Wie brengt beide kemphanen tot het besef dat ze elkaar ten diepste moeten respecteren? Welke onderhandelaar kan dat vanuit werkelijk begrip voor beide partijen bewerkstelligen? Is hij - of zij - al geboren?