• Leny van der Ley, schrijfster
  • Leny Wijnands-van der Ley, historicus

 

 

Verdwijnpunt                   

 

 

Ze lopen langs het jaagpad van een brede vaart, ergens in het Groene Hart. Zowel het water als het pad en de met slootjes doorregen groene weiden ernaast, lopen kaarsrecht naar de einder, waar de ochtendnevel de horizon verdoezelt tot wazig mysterie.

‘Mooi he, dat echt Hollandse landschap,’ zegt Greetje.

‘Doet me denken aan hoe wij perspectief leerden tekenen op school,’ zegt Mans.

Met beide handen imiteert hij de naar elkaar toe lopende lijnen, tot zijn vingertoppen elkaar raken.

‘Verdwijnpunt,’ mompelt Greetje.

Ze lopen een tijdje zwijgend voort.

Er is iets in dat zwijgen dat ongemakkelijk is.

Mans zucht, steeds vaker en nadrukkelijker; zijn voetstappen gaan langzamer, worden slepend.

‘Wat is er met je?’

‘Nou,’ hij zucht nog maar eens, ‘ik wilde wandelen omdat ik iets met je wil bespreken.’

‘Had dat niet gewoon thuis gekund? Ik heb koude voeten gekregen.’

‘Nee. Het is al moeilijk genoeg. En… nou ja, laat ik het er maar gauw uitgooien. Dit smeult al zo lang.’

‘Ben je soms verliefd op iemand anders?’

‘Ja. Nee. Nou, ja, het is wel meer dan dat. Ik heb Inge via mijn werk ontmoet. Vier jaar geleden. Zij was pas gescheiden, en ik had hevige ruzie met jou. Ik was gewoon toe aan iets wat luchtig en zorgeloos was.’

Ze staan stil bij een hek dat een pad naar een weiland afsluit. Ze leunen er allebei tegenaan.

‘En toen?’

‘We dansten, we zoenden, en het eindigde bij haar thuis in bed.’

‘En daar bleef het niet bij?’

‘Nee. Ze wilde dat ik terug kwam. Ik dacht dat het tussen jou en mij niet meer goed zou komen. Ik ging terug. En weer. En weer.’

‘Maar we hebben het daarna wel weer goed gemaakt. Of niet soms?’

‘Ja. Ja, dat is wel zo. Maar ondertussen was de verhouding met Inge zo warm geworden; het was alsof we ons hele leven op elkaar hadden gewacht. En toen…’

‘En nu? Wil je nu weg bij mij en met haar verder?’

‘Ja, daar komt het wel op neer. Zie je, twee jaar geleden hebben we een kind gekregen. Sinds die tijd dringt ze er op aan dat ik bij haar kom wonen. En nu ze in verwachting is van de tweede…’

‘Jeesses Mans! Je hebt tegen mij altijd geroepen dat je geen kinderen wilde. Ik heb mijn kinderwens voor jou opzij gezet. En nu dit!’

‘Nou ja, het is me min of meer overkomen, zie je.’

Ze leunen zwijgend tegen het hek. Mans opgelucht; Greetje verpletterd door de onverwachtheid van de bekentenis, door vlagen van boosheid en verdriet.

Het is hun laatste wandeling samen. Het verdwijnpunt.

 

 

Uit: Lente-perikelen

Maak een Gratis Website met JouwWeb