• Leny van der Ley, schrijfster
  • Leny Wijnands-van der Ley, historicus

 

Een fragment:

Sjakie wandelt op zijn gemak naar de gate.

Het duurt even voordat hij de meiden ziet aankomen. Blijkbaar hebben ze inkopen gedaan; Rood Petje heeft een tasje van een bijouteriewinkel en Zonnehoedje heeft een iets kleinere van een parfumeriezaak. Ze ploffen op de plastic stoelen bij de gate neer, binnen gehoorsafstand van hun criminele ‘schaduw’. Hij spitst zijn oren om hun gesprek te kunnen volgen. Alles wat hij van hen te weten kan komen, kan nuttig zijn.

Niet dat hij ook maar iets begrijpt van wat ze zeggen. Het gaat over Kant en Nietzsche en Bhagwan of zoiets, en over het vergelijken van oosterse en westerse filosofie. Het gaat Sjakie ver boven zijn pet. Hij is wel slim, maar zijn opleiding heeft hij gekregen in de School Des Levens, die hem in zijn geval voornamelijk criminele listen en lagen leerde. Meisjesstudenten kunnen in zijn wereldbeeld alleen maar wereldvreemde tutjes zijn. Brave zieltjes, ongetwijfeld, maar niet van dezelfde materie als gangstermeiden. Als die grieten de diamanten hebben ingepikt dan zitten ze daar blijkbaar helemaal niet mee. Zijn zulke jonge meiden al zo door de wol geverfd dat ze niet blikken of blozen bij het vinden van een miljoenenbuit? Ze zullen niet ouder zijn dan begin twintig. Misschien hebben ze nog niet eens gekeken naar wat er in het etui zat? Of zouden ze zelfs niet bij benadering hebben begrepen wat de waarde van hun vondst is? Ze hebben het etui in elk geval niet bij Gevonden Voorwerpen afgegeven, weet hij, want daar is hij natuurlijk eerst gaan navragen. Wie van de twee zou het etuitje bij zich hebben? Sjakie luistert voort. Het lijkt hem dat Rood Petje de bijdehandste van de twee is. Blauw Zonnehoedje is meer timide.