Het eiland van Pep en Lis – een fragment

 

 

Sneeuwtijger

 

 

Het is nu bijna zomer. Het is warm en zonnig. Dan kan je lekker zonder jas naar buiten. De tweeling speelt achter het huis, waar de duinen beginnen. Achter de tuin is zand met gras er in, zo ver als je kunt kijken. Er zijn ook plekken zonder gras, waar je in het zand kunt spelen. Daar zitten Pep en Lis het liefste. Eerst hebben ze torens van zand gemaakt, maar daar heeft Pep na een poosje genoeg van. Het zand is vandaag droger dan anders. Het glijdt door zijn vingers en onder zijn handen weg. Geen goed spul voor het maken van torens. Veel te zacht. Hij staat op.

‘Zullen we wat anders gaan doen?’ vraagt hij.

‘Wat dan?’ zegt Lis.

Ze probeert haar toren aan te kloppen, maar het lijkt wel of het zand daardoor nog harder wegglijdt. Ze kijkt op.

Pep veegt zijn zandhanden af aan zijn kleren. Hij staat na te denken.

Lis staat ook op en doet hetzelfde.

Achter hen klinkt geblaf. Pep en Lis kennen dat geluid. Dat is Wimpie, het hondje van de buren. Wimpie is klein, wit, pluizig en veel te dik. Pappa en mamma vinden het zielig. Pappa noemt hem een volgevreten vetklomp. Hij heeft kromme pootjes waarmee hij toch best hard kan lopen. Lis vindt Wimpie wel lief, maar Pep vindt het een lelijk beest. En dat blaffen, alsof het een reuzenhond is. Uitslover!

Pep en Lis zien hem achter de schuur vandaan komen. Ze staan samen naar het witte wiebeldier te kijken.

‘Weet je wat we gaan doen?’ zegt Pep opeens.

‘Wat dan?’ vraagt Lis.

‘Nou, net als gisteren op de tv, over die sneeuwtijgers,’ legt Pep uit. ‘Die waren wit met zwarte strepen. Wimpie zou veel mooier zijn, met strepen.’

‘Ja,’ knikt Lis. Ze weet precies wat Pep bedoelt.

‘Kom Lis, we gaan onze verfdoos halen.’

‘En een stukje worst uit de keuken Pep. Anders blijft Wimpie niet stilstaan.’

Zo gaat dat.

Ze tekenen mooie zwarte strepen op Wimpie’s lijf, en op zijn oren. Ze dopen het puntje van zijn staart in de verf. Ze zijn er niet zo lang mee bezig. Wimpie is maar klein.

‘Zo,’ zegt Pep.

‘Klaar,’ zegt Lis.

Wimpie blijft nog een poosje afwachtend staan, maar er komt geen nieuw plakje worst. Hij hobbelt weg, geeft nog een kefje.

‘Sneeuwtijger,’ zegt Pep voldaan, en Lis knikt.

 

Die avond komt de buurvrouw boos aanbellen. Pappa weet van niets, maar mamma heeft hun verfdozen in de keuken zien staan, bespat met zwarte verf. Ze begrijpt het meteen. Ze haalt Pep en Lis erbij.

Die lachen stralend als ze Wimpie terugzien.

‘Sneeuwtijger,’ zegt Lis.

‘Mooi hè?’ vindt Pep.

Mamma kijkt boos en pappa bijt op zijn lippen. Dat doet hij vooral als hij heel kwaad is.

De buurvrouw vindt het maar niks.

‘De verf gaat er niet meer af,’ zegt ze nijdig, ‘zelfs niet na drie keer wassen.’

Pep en Lis worden voor straf vroeg naar bed gestuurd. Ze hebben elk hun eigen bed in hun eigen kamer, maar vaak kruipen ze bij elkaar als mamma het licht heeft uitgedaan. Vooral als ze ergens straf voor hebben gekregen. Nu liggen ze dicht tegen elkaar aan te luisteren wat er beneden nog meer wordt gepraat.

De stem van de buurvrouw wordt kalmer. Pap en mam klinken vriendelijk. Ze horen hoe pappa de buurvrouw uitlaat. De voordeur die dichtslaat. En daarna het gekste van alles, schaterend gelach. Pappa’s zware bulderlach, mamma’s lichte giechellachje.

‘Sneeuwtijger!’ brult pappa.

‘Dat hebben ze gisteren op het dierenprogramma gezien,’ giert mamma.

Pep en Lis liggen verbaasd te luisteren.

‘Ze vinden het geloof ik wel leuk,’ zegt Lis.

‘Ja, nou,’ zegt Pep.

Daarna vallen ze opgelucht in slaap.