• Leny van der Ley, schrijfster
  • Leny Wijnands-van der Ley, historicus

Verraderlijk rapport

 

 

Toen ik eenmaal veilig was geland met de luchtballon, werd ik door de plaatselijke boerenbevolking onthaald als een held. In deze uithoek van het land is men natuurlijk ook helemaal niets gewend. De eenvoudige landlieden vroegen me het hemd van het lijf. In overdrachtelijke zin wel te verstaan, want ik had geen draad aan het lichaam en het was daarboven flink wat kouder gebleken dan ik had verwacht. Ondanks mijn kippenvel stond ik die luidjes minzaam te woord, nadat ik een deken omgeslagen had gekregen en met vriendelijke drang naar binnen was gevoerd in de keuken van wat er uit zag als een welvarende boerderij. De kom soep die de welgedane boerin me aanreikte was me weliswaar wat te vet, net als zijzelf, maar ik liet het me toch goed smaken. Ik kreeg van een jonge boerenkinkel wat grove kledingstukken aangereikt.  Het bibberen hield op en ik kwam dus wel in de stemming om iets over mijn luchtvaartavontuur te vertellen. Natuurlijk hield ik de plek waar we waren opgestegen, voor me. Als iemand ernaar vroeg, wist ik mijn simpele toehoorders met uitweidingen en slimme details af te leiden. Zo beleefde ik een genoeglijke avond, die eindigde in een eenvoudige maar propere slaapplaats. Een helder boerenbed, zeg maar. Ruw was dan ook het ontwaken, de volgende ochtend. Twee lokale veldwachters, met strakke snorren en een ambtelijke gestrengheid in hun blikken, sommeerden mij om op te staan en me te kleden, zodat ze mij niet in ontklede staat hoefden in te rekenen.

‘Inrekenen?’ zei ik slaapdronken.

Maar mijn argeloosheid hielp niets. Tijdens de rit naar het politiebureau vroeg ik me af wat zij me ten laste gingen leggen, want ik had hier werkelijk helemaal niets slechts gedaan. Even later werd mijn vraag meer dan uitvoerig beantwoord. Eerst werd me gevraagd om te bevestigen dat ik met de luchtballon die nu bij boer Zellesma geparkeerd was, in dit gehucht was beland. Dit bevestigde ik natuurlijk, en daar kwam meteen de aap uit de mouw. De diender wapperde met een stel papieren. Ik herkende het ballonvaarderslogboek, met haastige stenografische hanenpoten volgeklad. Er was blijkbaar een transcriptie van gemaakt, en zodoende kreeg ik een fragment ervan onder mijn neus geduwd. Of ik dit kon verklaren? Ik las:

 

          Uit het Logboek van ballonvaarder Hendrik Jan De Vriesse

 

Vandaag, de 18e van september 2010, ga ik met vier passagiers opstijgen vanaf het strand tussen Zandvoort en Noordwijk. Dat haalt de kosten van de vlucht er dik uit, ik heb weer eens een gratis ritje! Aangenaam weer, niet al te veel wind, kans op goede thermiek en de temperatuur in de hogere luchtlagen is nog niet al te koud.

10.10 uur - Ik krijg een afbericht van mijn betalende passagiers. Nijdig! Ik heb de vervoerskosten en het gas al betaald, het is einde seizoen. Dikke pech! Toch maar verdergaan met het vullen van de ballon.

12.35 uur - Misschien heb ik geluk. Een echtpaar van middelbare leeftijd blijkt belangstelling te hebben voor een ballonvlucht. Het dekt niet helemaal de kosten, maar het is nu geen grote strop meer. Mijn stemming stijgt.

15.10 uur - Op het laatste moment, ik wil het echtpaar al helpen instappen, komt er een oudere heer met wapperende jaspanden op ons af rennen. ‘Ik betaal voor tien,’ roept hij hijgend, ‘maar ik wil nu meteen een ballonvaart maken, als enige passagier.’ Het echtpaar is wel teleurgesteld als ik hen uitleg wat dat voor mij betekent, maar ik beloof dat ik ze na terugkomst meteen zal opbellen voor een nieuwe afspraak, en uiteraard wordt hen de ritprijs terugbetaald. De nog nahijgende oudere heer is al zelfstandig ingestapt. Hij betaalt contant aan mijn assistent en daarna geef ik deze het teken dat hij het laatste touw kan losmaken. Zoals altijd wuiven we naar elkaar bij het opstijgen.

Brander hoog aan, op vol vermogen. We stijgen behoorlijk snel. Windkracht 2, ZZW, iets aantrekkend. Mijn passagier heeft geen enkele last van hoogtevrees, zoals toch dikwijls voorkomt. Hij kijkt af en toe over de rand en roept dat we sneller moeten stijgen. Zonder mijn toestemming begint hij de ballastzakken los te maken en overboord te gooien, de een na de ander. Ik probeer hem daarvan te weerhouden, maar ik moet ook de brander bedienen, en elke verandering van stand en verbruik aantekenen, evenals wat losse krabbels over wind, thermiek en deze ene passagier. Elke keer dat ik opkijk is er weer een zak weg. Een wonderlijk heerschap!

‘Waarom moeten we zo snel stijgen?’ vraag ik verwonderd en enigszins verontrust, ‘we gaan nu al sneller omhoog dan ik ooit heb meegemaakt.’

De man kijkt schichtig over de rand, recht naar beneden.

‘Zijn we nog boven Vogelenzang?’ vraagt hij.

Ik kijk ook omlaag.

‘Ja, nu nog wel,’ zeg ik. Ik krijg niet de kans om er iets aan toe te voegen.

De man gooit de laatste ballastzak overboord. Hij kijkt, zie ik nu, telkens met verwilderde blik op de hoogtemeter.

‘Sneller, we moeten sneller omhoog,’ zegt hij hijgend en hij kijkt rond wat hij nog meer overboord kan kieperen.

De picknickmand, die ik altijd als service voor mijn passagiers meeneem, met flesjes fris en bier en een beste voorraad sandwiches, gaat plompverloren de diepte in.

‘Hé!’schreeuw ik, ‘ben je helemaal gek geworden man? Dat is onze leeftocht. We zitten nog uren aan boord.’

Weer zo’n verwilderde blik.

‘Ik moet uit het zicht van Vogelenzang komen,’ zegt hij op jachtige toon, ‘zo snel mogelijk. Als ze me zien…’

Ik kijk nog eens omlaag en schud mijn hoofd.

‘We zijn al zo hoog dat niemand ons vanaf de grond nog kan herkennen beste man,’ zeg ik sussend, maar ik ben er niet helemaal gerust op. Die schichtige ogen, dat gejaagde praten…

‘Nou, met een goede verrekijker,’ werpt mijn passagier tegen.

‘Waarom moet je zo snel uit het zicht? Heb je soms een bank beroofd?’ zeg ik in een mislukte poging tot scherts.

‘Ze hadden me opgesloten, die gekken,’ is het prompte antwoord, ‘maar omdat ik zo mager ben, kon ik me uit het dwangbuis wurmen en door het WC raampje ontsnappen. Levensgevaarlijke lui, daar in het gesticht.’

Mijn ergste vrees wordt bewaarheid. De man is een ontsnapte krankzinnige! Het is maar goed dat ik me met mijn apparatuur moet bezighouden, want daardoor houd ik de paniek weg en mijn hoofd er bij. Ik noteer hoogte, windsnelheid en deze absurde situatie. Dat laatste vrij uitgebreid, voor het geval dat ik later details moet geven die ik in de zenuwachtige opwinding van dit moment gemakkelijk zou kunnen vergeten. Gelukkig kan dat snel, met stenografie. Vooral kalm blijven. Als ik me omdraai, zie ik dat de man bezig is zich uit te kleden.

‘Allemaal gewicht,’ zegt hij, nog steeds op die zenuwachtige toon terwijl hij zijn jas en sweater laat waaien, ‘ik moet dan maar zonder doen.’ Nu gooit hij zijn gympen omlaag, zijn hemd, zijn sokken, en weer kijkt hij op de hoogtemeter. Hij schudt zijn hoofd en trekt zijn broek uit. Hup, overboord. Ook zijn boxershort fladdert achter de rest aan.

‘Het helpt niet,’ zegt hij met wanhoop in zijn stem, ‘niet genoeg, o nee, lang niet genoeg.’

Ik begin het behoorlijk benauwd te krijgen. Ik probeer ongezien mijn mobiel te gebruiken, maar hij houdt geen oog van me af, grist het uit mijn handen en hupsakee, weg.

‘Ga dan op de bodem van de mand zitten, daar kan in elk geval niemand je zien,’ zeg ik tenslotte.

Blijkbaar vindt hij dit een goede tip want hij duikt in elkaar en hurkt, hij slaat de magere armen om zijn knieën en blijft een poosje zo zitten.

Ik probeer een indruk van onverstoorbare kalmte in stand te houden, maar dat lukt niet zo erg lang.

‘Waar zullen we uiteindelijk landen?’ vraagt hij even later.

Het lijkt mij niet verstandig om te melden dat ik zo dicht mogelijk bij huis probeer te blijven. Moederziel alleen met een poedelnaakte gek, in een kleine mand, afgesneden van alle hulp en met werkelijk helemaal niets om mezelf mee te verdedigen, zelfs geen appel om naar zijn hoofd te gooien of een mand om tussen hem en mij in te houden, en op een grotere hoogte dan ik ooit gedacht had met deze ballon te kunnen komen, moet een mens zich wel voorzichtig uiten.

‘Ik vraag meestal aan mijn passagiers of ze een voorkeur hebben voor een landingsplaats,’ zeg ik zo rustig mogelijk.

Hij knikt, maar voordat hij daaromtrent iets kenbaar kan maken wordt zijn aandacht afgeleid door de windvaan, die wat heen en weer fluttert.

‘Hij draait!’  gilt hij plotseling, ‘de wind draait! Hij blaast ons terug naar Vogelenzang!’

Ik wijs op het kompas.

‘We gaan naar het noordoosten beste man, er is geen reden tot paniek.’

Maar hij luistert niet, hij schudt verwilderd aan de touwen, rukt aan de mand, kijkt omlaag.

‘Ze willen me weer pakken,’ mompelt hij voor zich uit, ‘ze willen me weer vastbinden en opsluiten. De mannen met het dwangbuis. Verplegers noemen ze zich. Hah! Tuig is het meneer, schorem. En ik sta helemaal alleen, niemand die me helpt.’

Hij plukt aan zijn snor; hij trekt letterlijk de haren uit zijn bovenlip. Het ziet er nogal belachelijk uit. Aan de ene kant de volle snor en aan de andere kant een gehavend restant. Maar ik voel geen neiging tot lachen. De man lijkt wel steeds gekker te worden. Hij wrijft door zijn gezicht. Een nieuwe blik op de hoogtemeter, een zucht, dan flitsen zijn ogen naar mij.

‘Twee man zijn te zwaar,’ hijgt hij, ‘als er nu maar één man aan boord was…’

Ik ben net de laatste metingen aan het noteren, ik kijk op en zie de krankzinnige blik in zijn ogen, hij pakt me bij mijn linkerarm en duwt me tegen de rand en er ov__             

 

 

Uit de verhalenbundel Ratatouille

Maak een Gratis Website met JouwWeb