• Leny van der Ley, schrijfster
  • Leny Wijnands-van der Ley, historicus

korte gedachteflitsen over diverse onderwerpen

 

Zomergeneugten

Wie dezer dagen veel buiten bezig is, of gewoon maar genietend op de tuinbank zit, zal misschien ook weleens hebben ervaren wat mijn buurman overkwam. Een overvliegende vogel die zelfs tijdens het vliegen zijn inwendig afval ‘laat lopen’. En als je er dan net onder staat… Dat herinnert me aan een oud versje over de ontvanger van een dergelijk ‘hemelsge-schenk’:

   Klein vogelijn op groene tak

   Ik wou dat gij uw halsjen brak

   Alvorens gij zo’n vieze plak

    Liet vallen op mijn nieuwe pak!

Het heeft dezelfde cynische humor als die man die pasgeboren lammetjes in de wei zag dartelen. Naast hem stond een echte dierenliefhebster die vol passie foto’s maakte van dat olijk lentebeeld, en die opgewonden tegen de naast haar staande onbekende jubelde: ‘Zijn ze niet schattig. Wat een heerlijk gezicht he?’

De man antwoordde met hartgrondige eerlijkheid: ‘Nou en of! Een genot om naar te kijken. Ik krijg allemaal visioenen van recepten met zuiglam, het ene nog heerlijker dan het ander. Het water loopt me in de mond!’

Waarmee maar gezegd wil wezen: ieder ervaart de geneugten van natuur en buitenleven op eigen wijze.

 

 

Opvolging, staatsrecht en de straat

Tot voor kort was Nederland het enige land met een vorstenhuis waar de regerend monarch zelf kon kiezen voor aftreden en met pensioen gaan. In alle andere monarchieën was het een zaak van wachten tot de vorige omviel. Maar recent heeft ook Albert van België het stokje overgegeven aan oudste zoon Philip. De ouwe flierefluiter was toen bijna 80 en zijn zoon 53, dus je zou denken dat beiden er wel aan toe zijn. Maar de publieke opinie juichte niet. Als kind blonk Philip nergens in uit, als puber werd hij Prins Sulleke genoemd, en in zijn jonge volwassenheid een stijve hark. Sinds hij met Mathilde is getrouwd, leek het beeld wat op te peppen, maar zijn versprekingen en zijn 'faux pas'op handelsmissies en andere semi-officiele bezoeken, zijn gemeengoed. Nee, de Belgen staan niet te dansen voor Philip. Zeker de Vlamingen niet, die het paar verwijten te veel op Wallonië gericht te zijn. Maar, hoewel er geen volksraadpleging aan te pas is gekomen, dit alles is nog ruim binnen de grondwettelijke grenzen.

Heel wat anders dus dan wat er enkele jaren geleden in Egypte gebeurde. Daar werd een democratisch gekozen president, die veel te veel macht naar zich toe had geharkt (en dat was wel tegen alle verkiezingsretoriek in) en bezig was met een op de sharia geënte grondwet, door de straat weggejouwd en met behulp van het leger afgezet.

Niet democratisch. Of toch wel? Is de stem van de straat niet de meest basale vorm van uiting van de volkswil? Blijkbaar vond het leger van wel. De legerleiders hebben hun oren laten hangen naar de roep van het Tahrir-plein, en ingegrepen. Het halve land juichte; de andere helft gromde en zette zich schrap voor een tegenactie. We leven in een tijd vol heftige veranderingen, zoveel is wel zeker.

Op 21 juli 2013 is Prins Sulleke gekroond, of benoemd, tot Koning Flip aller Belgen. En zonder al te veel ceremonieel is de Spaanse kroon in 2014 overgedragen op het hoofd van Felipe. Misschien iets te snel, maar gezien de kritiek op Juan Carlos begrijpelijk. Nu maar hopen dat deze nieuwe staatshoofden, Filip en Felipe, niet flippen, dat het geen flop wordt…

Overigens heeft ook de Japanse keizer dat voorbeeld gevolgd en is afgetreden. Ook hij heeft niet afgewacht tot hij zou omvallen.

Nu maar afwachten wat er in het Verenigd Koninkrijk gaat gebeuren in het post-Elizabethaanse tijdperk. Gaat de oude koningin in 2021, op haar 95e, officieel aftreden? Of blijft zij wel op haar post tot de dood haar van die last bevrijdt? En wie komt er dan? Dynastiek gesproken zou het Charles moeten zijn. Maar: een gescheiden man, met een gescheiden vrouw van wie de ex echtgenoot nog leeft... Als hoofd van de Anglicaanse kerk kan dat eigenlijk niet. Wordt het dan William, samen met zijn Kate? We zullen zien.

 

“Who’s who” van de straat

Onlangs hebben enkele vroede vaderen van Amsterdam, die beslissen over de naamgeving van straten en andere infrastructuur, in hun wijsheid besloten dat een nieuwe brug geen Jos Brinkbrug mag heten. Omdat de naam Jos Brink geen eeuwigheidswaarde heeft, en er over, pakweg, veertig jaar nauwelijks meer iemand is die nog weet wie Jos Brink is geweest.

Zo’n beslissing stemt tot nadenken. Zijn mensen uit de amusementswereld snel vergeten eendagsvlinders? Wie van de huidige jeugd weet nu nog wie Fien de la Mar was? Of Louis Davids? Pat Boone? Glenn Miller? Worden artiesten en olijke grappenmakers eerder vergeten dan staatslieden?

Het is begrijpelijk dat het benoemen van straatnamen moet worden bekeken met het relativerend oog van de verstrijkende tijd. Want terugdraaien van een straatnaam is lastig. Bedrijven en particulieren maken kosten voor drukwerk met een adres er op. Tomtom’s zijn ingesteld. Gemeentelijke adresboeken, het kadaster, alle overheidsdiensten, er moet heel wat aangepast. Dus zo’n naam, eenmaal gegeven, staat zo ongeveer ‘voor de eeuwigheid’. Straatnamenmaker is een verantwoordelijk beroep.

En tegelijk is het zo dubbel. Want ook staatslieden zijn onderhevig aan diezelfde vergetelheid. Waarom heet een straat Ruys de Beerenbroeck? Of Schaepman? Wat waren dat voor mensen, wat deden ze om zo’n vernoeming te verkrijgen?  Welke burgemeester heeft zo flitsend geburgemeesterd dat zijn naam in een straatnaam moest worden vereeuwigd?

Er zijn maar een paar staatslieden die vermoedelijk  ‘door de eeuwen heen’ bekend zullen blijven. Thorbecke, die van de grondwet van 1848. Drees, van de AOW. Lieftink, van de geldsanering (het ‘tientje’). Wellicht Kok, van het kwartje? En… enne… eh… De rest verzinkt in de grijze as van het verleden.

Maar ja, hoe gaan we al die nieuwe straten, pleinen en bruggen dan noemen, als alle BN-ers, zelfs die brave niet al te opvallende staatslieden, zo gebonden blijken aan hun tijd? Wie mogen wel, wie niet? Wat zijn de criteria? Interessante kwestie, zij het niet van levensbelang.

In Haarlem is dat wel praktisch opgelost. Er bestaat al jaren een boekje ‘De straat waarin wij in Haarlem wonen’, waarin de straatnaam wordt uitgelegd en waarin, als het om een persoonsnaam gaat, de naamgever met functie en politieke kleur en/of merites wordt vermeld. Een eenvoudige oplossing voor andere woonoorden. Een straatnamenboekje om uit te leggen wie al die in de vergetelheid geraakte BN-ers eigenlijk waren, en wat hun belang voor de samenleving is geweest. Letterlijk: een who’s who van de straat. Want tegen de tand des tijds is nu eenmaal niemand bestand.

 

Nog erger dan Tamagotchi

Weet u het nog, die rage onder scholieren in de jaren ’80? Ieder kind wilde een tamagotchi, zo’n plastic computer-eitje met een elektronisch ‘huisdier’ dat constant zorg en aandacht nodig had en dat kon afsterven. Scholen verboden het meenemen ervan, omdat het de leerlingen te veel afleidde. De rage ebde weg, en menige ouder zuchtte van opluchting.

Maar nu is er iets ergers aan de hand. Facebook en twitter. Dat lijkt bijna net zo virtueel, maar nu reageren echte mensen op tweets van andere echte mensen. De jeugd twittert en facebookt zich een ongeluk. Bijna letterlijk. De hele tijd maar volstrekt onbelangrijke berichtjes de ether in gooien, en na een paar minuten kijken of je wel ge’liked’ wordt. En zenuwachtig worden als er helemaal nog niet gereageerd is. Of als er ‘like not’ op staat. O help! De wereld dreigt te vergaan. Wat moet je nu? Iets flitsends verzinnen dat een heleboel likes oplevert. Maar wat in vredesnaam, in het doodgewone alledaagse leven vol sleur. Wat schrijven de anderen? O kijk, over te laat komen, huiswerk niet geleerd, een proefwerk. Maar als je nu net op tijd was, je huiswerk wel had geleerd en het proefwerk geen probleem was? Je wilt toch zeker niet doorgaan voor een watje of een nerd?

Dit alles schijnt de schoolgaande jeugd zo vreselijk af te leiden van lesstof, huiswerk en zelfs examen, dat ze al nerveus worden bij het idee dat tijdens een examen hun digitale vriendenkring enige uren achtereen ‘uit’ moet staan…

De digitale revolutie is hier duidelijk doorgeschoten naar een soort digitale kamikaze. Als je geen uur kunt leven zonder ‘likes’, als je daardoor een dusdanig concentratieverlies lijdt dat je diplomakansen in gevaar komen… maar hoe moet dat dan straks, als je gaat werken, en er gewoon acht uur per dag concentratie op het werk wordt verwacht? Wie roept de jeugd terug naar normaal, naar gewoon lekker ouwehoeren in een kringetje, zonder zo’n elektronisch monster waar je jezelf knettergek mee maakt? Naar gewoon 1 op 1 contact of groepsgedoe op een hangplek?

Het is natuurlijk een (leef-)tijdsverschijnsel, en de jeugd van 10, 20 jaar geleden heeft allang afgehaakt bij hyves, en is zelfs nooit begonnen aan twitter. Dat zijn de jonge volwassenen van nu, druk aan het werk om carriere te maken, hun leven te leven en buiten het werk de dingen te doen die ze leuk vinden. Aan ‘Like’ of ‘Like Not’ hebben ze maling.

Ze hebben zogezegd hun tamagotchi’s in de vuilnisbak gedumpt. Gelukkig.

 

Modern gesprek

 ‘Hoi’

‘Hai’

‘Waar ben jij?’

‘Trein, en jij? ‘

‘Fiets.  Frits nog gezien?’

‘Nee, druk man’

‘Jij of hij?’

‘Ik’

‘Waarmee?’

‘Ach, van alles. Uitkering regelen en zo’

‘Krijg je die? En je woont nog thuis’

‘Nee. Woon nou bij Pam weet je’

‘Oke. Nou, gaaf’

‘Doe jij vanavond?’

‘Voetbal op tv’

‘O ja’

‘Kom je naar mij?’

‘Nee, ga naar Yvonne en Ben’

‘Oke. Nou, zie je nog wel’

‘Ja. De mazzel’

‘Ook zo’

‘Later’

‘Doei’

Dit soort diepzinnige gesprekken kun je tegenwoordig overal beluisteren. In tram of trein, in wachtkamers, op perrons, in winkels of in het park. Want overal wordt luidkeels gebeld.

De meeste gesprekken beginnen met waar iemand op dat moment is. Dat schijnt erg belangrijk te zijn. Het is voor de rest vooral een wederzijds zinloos hallo roepen; daarmee is dit soort communicatie een teken van geestelijke armoe en eenzaamheid. Hoe meer er wordt gebeld, hoe eenzamer iemand is. En dat is treurig, op het pathetische af. Nutteloos quasi-contact.

Het wordt een beetje kil, op deze wereld.

 

Over geluk

Wat is geluk eigenlijk? vroeg een vriendin laatst, toen we zoals vaker filosofeerden over het Leven. Zo’n vraag leidt natuurlijk tot een al even filosofische overpeinzing over de definitie van dat woord.

Sommigen verwarren het met succes, anderen met materiële zorgeloosheid. Dat zijn natuurlijk factoren die kunnen bijdragen aan een geluksgevoel. Maar dat geluksgevoel kan door nog zoveel andere oorzaken worden opgeroepen. Door een mooie dag met schitterende herfstkleuren en een prachtige paddenstoel in de tuin. Of juist door het verschijnen van dat eerste tere groen van de lente, als een veelbelovend waas. Door vrolijk makend nieuws, door een goed gesprek met een vriendin; soms ook door de afwezigheid van pijn waardoor veel activiteit mogelijk is die anders niet kan. Door een goed gelukte alinea in een verhaal. Door een warme glimlach van een dierbare. Door alle grotere en kleinere dingen kortom, die je een goed gevoel geven. Nou, daar heb je dan een soort definitie van geluk: je zegeningen tellen en je bewust zijn van dat fijne gevoel dat het leven iets heerlijks is. Wim Sonneveld zei het ooit zo: Verdulleme man, dat maakt het leven waard om geleefd te worden. En daar hoeft niets aan te worden toegevoegd.

 

Een klam hoofd in het land van 1001 nacht

 Wie ‘Perzië’ hoort, denkt aan exotische oorden, en sprookjesvertelling. Aan Ali Baba en zijn veertig rovers, ongetwijfeld op van die kleine snelle steppenpaardjes; aan de kaliefen en de moefti, aan een sultan, aan harems en aan Sheherazade. Dat was die ene haremvrouw die zich niet na een wellustige nacht wenste te laten vermoorden. Ze kon de wellust niet ontgaan. Maar als ze kon zorgen dat de oude sultan wakker bleef tot op het moment dat de beul haar kwam halen, dan zou dat haar redding kunnen zijn. Als ze hem tenminste kon prikkelen om haar te redden. Zo begon de verhalencyclus.

Ja, dat is een sprookje. Een nuchter mens moet er niet aan denken om bijna drie jaren lang elke nacht vol te praten met nietgebeurde verhalen. Na twee nachten zou elke aardse vrouw  zelf voor pampus liggen.

Misschien is het verschil tussen sprookje en werkelijkheid wel typerend voor de werkelijkheid van hedendaags Iran.

Vrouwen dragen niet allemaal de chador, behalve op buitengewoon heilige plaatsen. Zoals de moskee van de tweede imam in Shiraz, en elke andere moskee als er een dienst wordt gehouden. Daarbuiten lopen ze er nogal verschillend bij. Van de chador die bedekt als een nonnenkleed, via een wijde lange jas, tot aan een getailleerde lange blouse tot op de knieën, met lange mouwen, met daaronder spijkerbroek en gympies. Maar allemaal wel bedekt van hals tot voeten. Alleen het gezichtsovaal en de handen mogen zichtbaar zijn, ook bij die jonge meiden. Allemaal dragen ze iets sjaalachtigs op het hoofd. Dat kan een dun, halfdoorschijnend sjaaltje zijn dat zowat de helft van het hoofdhaar onbedekt laat, met daar bovenop een grote zonnebril in het haar (dat is blijkbaar aanvaardbaarder dan een diadeem of haarband, want bij het omhoogschuiven van de zonnebril kan de sjaal natuurlijk zomaar per ongeluk expres wat naar achteren schuiven). Maar veel oudere vrouwen dragen een sjaal zoals ze een chador om hun gezicht klemmen, waarbij geen haar of hals zichtbaar wordt.

 

Ook buitenlandse vrouwen moeten aan deze wettelijke verplichting voldoen. Al voor het verlaten van het vliegtuig moet het vrouwenhoofd bedekt zijn. Al vallen de mussen dood van het dak; dat is geen issue. Als nou de moella’s dood van het dak vielen, zou het misschien anders zijn, maar dat mag een christenmens niet wensen. Toch? Dus de sjaal om en het land in.

Al gauw begint de warmte merkbaar te worden in een klam, jeukend gevoel op de hoofdhuid, zweetdruppeltjes volgen de wet van de zwaartekracht  en siepelen uiteindelijk in de hals, waar de omgeslagen sjaal ook wat klammig begint te worden. Maar de wet van de Islamitische Republiek kent geen genade. Buitenshuis heb je als vrouw iets op je kop. Het spreekwoord ‘je op je kop laten zitten’ toont hier ergerlijk aan hoe het gesteld is met de vrouwenemancipatie, althans naar onze westerse opvatting. En ook in de auto of taxi, en in een restaurant, of in de lobby of eetzaal van het hotel, ben je ‘buitenshuis’. Alleen goed en wel in het huis van familieleden, of in een hotelkamer, mag die lap weer af. En daaronder vandaan komt dan natuurlijk de meest afgrijselijke verdrietkop, met verpieterd, platgedrukt haar dat niet meer goed wil vallen of zitten.

Des te ergerlijker is het om te zien hoe de mannen er bij lopen. In heerlijke luchtige T-shirts of overhemdjes met korte mouw, hun donkere haren onbelemmerd wuivend in de naar benzinedamp stinkende warme wind van Teheran. Gelukkig komt er na enkele broeierig warme dagen van rond de 30 graden een weersomslag. Al snel koelt het af tot onder de 20 graden. Nu dragen de mannen overhemden met lange mouwen, en jacks. Maar hun hoofden zijn nog steeds onbedekt.

 

Het is ramadan. Vijf keer per dag is het galmen van de dichtstbijzijnde moskee te horen, als de imam oproept tot gebed. De verkeersdrukte op straat vermindert er geen moment door. Blijkbaar is het gebed facultatief. Maar wat wel merkbaar is, is het feit dat er overdag niet gegeten of gedronken wordt. Alle restaurants, eethuisjes, theehuizen etc. zijn dicht, en het grote aantal neergelaten rolluiken geeft elke straat, elke wijk een doods, afgesloten en in de avondschemering wat luguber beeld. Pas als de zon definitief onzichtbaar is, komt de horeca weer tot leven, en daarmee het straatbeeld. Maar overdag is het schipperen met de maaltijden. Alleen in westerse hotels wordt een lunch geserveerd, aan de christenhonden die het eten niet kunnen laten. Het wordt niet met zoveel woorden gezegd, maar de wrevel van het bedienend personeel is voelbaar aan de sfeer. Als westerling wordt je met de neus op het feit gedrukt dat je in een door en door Islamitisch land bent. Sprookje? Nee, de alledaagse werkelijkheid van de Koranleer. Als je je daar al ongemakkelijk bij voelt, dan heb je nog niet eens de schrale troost om dat ongenoegen te kunnen wegspoelen met een ferme slok van het een of ander. Tenzij met water, thee of frisdrank, maar dat heeft niet het beoogde effect.

Iran is een droog land, vol bergen en steenachtige woestenij in de zinderend hete hoogvlakte. Een land vol bittere geuren en stankjes, met meedogenloze wetten en harde mensen, die nauwelijks moeite doen om een vreemde taal te spreken. Niet ingesteld en niet gesteld op toeristen, al zou het de vreemde valuta maar al te goed kunnen gebruiken. Een land van prachtige bouwkunst, ook moderne; van schitterend handwerk en ongelooflijk mooie Perzische tapijten, een land dat zichzelf genoeg is. Land van exotische kunst en oude cultuur, land van onvoorstelbare wreedheden. Een land waar betrapte homo’s publiekelijk worden opgehangen. Een land waar op straat posters hangen met “The world without zionism”, hetgeen uitvoeriger beschreven schijnt te worden op de website zionot.ir. Een republiek waarvan een president, een ex-gevangene, ooit riep dat Israël van de kaart geveegd moet worden. Een land dat uitademt: Tourist go home!

Land vol tegenstellingen. Geen sprookje maar bizarre werkelijkheid. Geen zwoele 1001 nacht maar  nuchter ochtendlicht.

Reisadvies: Als je relaxte gezelligheid zoekt, overweeg dan een ander reisdoel. Zoek je cultuur en schoonheid, dan zou je hier moeten gaan kijken. Als je durft.

 

Het liedje van verlangen

De Marokkaanse rappers Raymzter en Ali B. rapten ooit: kut-Marokkaan. Een protest-rap tegen discriminatie, een liedje van verlangen om er helemaal bij te horen, om als volwaardig medemens in Nederland te worden erkend en behandeld. Maar Ali B. is inmiddels volledig geïntegreerd in de Nederlandse samenleving. Net als burgemeester Aboutaleb van Rotterdam speelt hij het Nederlandse maatschappelijk spel gewoon mee. En er zijn er nog wel een aantal die snappen hoe het hier werkt.

Maar, de goeden en goedwillenden niet te na gesproken: het gros van de Marokkanen is laag opgeleid, spreekt de taal niet goed en is nauwelijks tot niet geïntegreerd in de mores van dit land. Kent zijn rechten donders goed, maar wil niet herinnerd worden aan enige verplichting. De mannelijke jeugd uit déze groep is statistisch gezien lawaaiiger, gewelddadiger, vaker werkloos dan autochtone jeugd, en (mede vanuit hun onderliggende cultuur, die van de Berbers, de woestijnrovers die alleen het tribale belang verdedigen) eerder geneigd om het pad van de wetteloosheid op te gaan.

Heel links/soft Nederland viel over de uitspraken van Wilders van ‘minder Marokkanen’. Veel te ongenuanceerd, inderdaad. Maar zijn latere toevoeging, dat hij het had over criminele Marokkanen, is een  correcte waarneming van de Nederlandse multi culti werkelijkheid. Het zal hem niet slecht zijn uitgekomen, dat een week later die overval op het juweliersechtpaar in Deurne plaatsvond, door twee (naar later bleek drie) Marokkanen. Nu is Wilders iemand die niet zal nalaten olie op het vuur te gooien. Mark Rutte heeft niet gereageerd op Wilders’ sms, of hij nu, in plaats van Marokkaanse kinderen, ook kinderen van juweliers ging geruststellen. Wilders pareerde de oproep tot aangifte doen tegen hem, met een tegenoproep om aangifte te doen tegen de PvdA-ers Samsom en Spekman, wegens eerdere, nog discriminerender uitlatingen jegens Marokkanen. Tja. Wie kaatst…

In het licht van de recente gebeurtenissen en de veranderende maatschappelijke opvattingen, krijgt de protest-rap van Raymzter en Ali B. wel een andere klank. En een wrange nasmaak.

Nederlanders die met criminele Marokkanen te maken hebben gekregen, kennen een ander liedje van verlangen: ontneem hen hun Nederlandse paspoort en zet ze enkele reis op een vliegtuig naar Marokko.

 

Het IK tijdperk

Het is al halverwege de vorige eeuw begonnen. Het IK tijdperk. Na alle onvoorstelbare leed van de tweede wereldoorlog vond de baby boom generatie dat ze recht hadden op een eigen mening, eigen pleziertjes, op het maken van individuele keuzen waarbij het oordeel van oudere generaties werd voorbijgezien, genegeerd, in de wind geslagen.

Ook in de 21eeeuw zet de individualisering steeds verder door. De TV heeft niet alleen –tig verschillende zenders, maar er is ook tv-kijken ‘on demand’ en ‘uitzending gemist’, aangevuld met betaalzenders als HBO en Netflix, zodat iedereen op de zelf gewenste tijd kan kijken naar het zelf gewenste programma. Iedereen heeft een mobiel. En een i-phone, een i-pod, een i-pad, een i-tablet, waardoor de keuze van vrijetijdsbesteding steeds verder wordt geindividualiseerd.

Want i (of I) betekent in het Engels: IK. Mijn telefoon, muziek-apparaat, spelcomputer, reader, internetmogelijkheid. Je ziet steeds vaker dat twee mensen die duidelijk een setje vormen, niet met elkaar praten, maar ieder voor zich met hun diverse apparaatjes bezig zijn. Praten, gamen, sms-en, twitteren, whatsapp-en, googlen, buienradar bekijken.

Vroeger werd gezegd: ieder voor zich en god voor ons allen. Dat laatste is al lang geen gemeenplaats meer. Het is nu voornamelijk Ieder Voor Zich. Wat een armoe, wat een eenzaamheid.

In zo’n verschraalde, verkilde wereld proberen om iets van persoonlijke liefde en warmte uit te dragen – dat lijkt steeds meer op onbegonnen werk.

 

Politieke vrouwen

Doen vrouwen het even goed in de politieke arena als mannen? Scoren ze op dezelfde manier als het sterke geslacht of heeft zich sinds minister Klompé, ooit de enige vrouw in de politiek, een eigen vrouwelijke stijl van politiek ontwikkeld? Indertijd was zij de uitzondering die de regel bevestigde. Maar een eigen, vrouwelijke stijl had ze niet. Ze deed gewoon mee met de ‘boys’; in die tijd een stel bedaagde heren.

Tegenwoordig rukt  in de politiek het slimme geslacht op. Niet in spectaculaire aantallen, maar wel gestadig. Zelfs de SGP heeft noodgedwongen het verzet tegen de vrouw in politieke functie moeten laten vallen; althans formeel. Over welke eigenschappen moeten vrouwelijke politici beschikken om in het politieke wereldje overeind te blijven?

Intelligentie is een randvoorwaarde maar geen garantie voor succes. En een aardig bekkie werkt eerder contra. Een tragikomisch voorbeeld daarvan was indertijd Winnie Sorgdrager. Ze wilde haar ministerie hervormen, maar de hele tent, vol gehaaide juristen en superjuristen, kwam in verzet en bracht haar, geholpen door de pers, met enkele welgemikte treffers ten val. Eerst hinkte ze nog voort als aangeschoten wild, maar uiteindelijk werd mevrouw Sorgdrager genadeloos afgeserveerd.

Teveel ambitie is ook geen pluspunt voor een vrouw die politiek wil meedoen. Die geblondeerde mevrouw van de Ouderenpartij indertijd, - kom, hoe heet ze ook alweer? - heeft zichzelf en haar partij met haar ambities aardig om zeep geholpen. Ze was daarbij wat te jeugdig om een goed boegbeeld voor die bevolkingsgroep te zijn.

En er was die komische Gonny van Oudenallen, die zonder bril niet zag dat ze heus de echte minister Hoogervorst voor zich had. En die schattige juffer van Gent, die Nixon een prima spindoctor voor Obama vond… Dat Nixon allang dood was en bovendien van de tegenpartij, en daarnaast een reputatie had die stonk als een kaaspakhuis, ontging de lieverd. Tja, te weinig hersens is dus niet goed.

Onkreukbaarheid kan ook al geen issue zijn. De keurige, conservatieve Hanja May-Weggen werd weggehoond; terwijl de dubieuze Mariko Peters rustig kon aanblijven.

Is populariteit dan een sleutel? Lijkt me ook niet. Tineke Netelenbos, ooit opperhoofd van Verkeer en Waterstaat, het impopulairste departement, en in elke populariteitspoll steevast onderaan, deed glimlachend haar werk, hoeveel kritiek ze ook moest verduren. En het verging haar voorgangsters en opvolgsters al niet veel anders. Wat hebben zij  - al of niet - gemeen met bijvoorbeeld een Erica Terpstra, met Annemarie Jorritsma, met Maria Verhoeven of Edith Schippers, met Els Borst of met andere politieke zwaargewichten? Ik kan geen enkele meetlat bedenken die voor allemaal het succes of gebrek aan succes verklaart. Wel een combinatie van factoren die onderling op elkaar inwerken: politieke gedrevenheid en persoonlijke ambitie, getemperd door bescheidenheid, gezond verstand en gevoel voor compromis. Goed gebekt zijn en snel en ad rem kunnen reageren. Soms fel, soms met meegevoel; nu eens confronterend, dan weer diplomatiek. Het hebben van intuïtie voor de politieke stormvlag van het moment. Allemaal eigenschappen die ook voor de politieke mannetjesdieren gelden.

Is er dan niets te bedenken, waardoor ‘de vrouw’ in de politiek zich onderscheidt van haar mannelijke collega’s?

Toch wel. Anders dan de man heeft de vrouwelijke politicus de vrijheid om te kiezen tussen japon of mantelpak, tussen rok of pantalon. En ze zet op de derde dinsdag van september een lekker gek hoedje op. Misschien is die vrijheid, en de durf om daarvan zwierig gebruik te maken, wel een teken van echte emancipatie.

Maak een Gratis Website met JouwWeb