• Leny van der Ley, schrijfster
  • Leny Wijnands-van der Ley, historicus

Een fragment uit Pep en Lis op vakantie

 

 

 

 De Grote Markt en dat kleine mannetje

 

 

Ze lopen met elkaar en met nog meer mensen van de camping, naar de Grote Markt.

‘Dit is een van de mooiste pleinen van Europa,’ zegt pappa, ‘omdat er zoveel mooie oude gebouwen omheen staan.’

‘Nou, oma en opa Haarlem hebben ook een Grote Markt,’ zegt Pep.

‘Hebben ze hier ook een kerk met allemaal muziekklokjes?’ vraagt Lis.

‘Een carillon, zoals in Haarlem? Nee, zo mooi maken ze het hier niet,’ zegt mamma. ‘Maar hier staat ook een stadhuis met een hoge toren, kijk, daar. En die andere gebouwen om het plein zijn bijna allemaal oude gildehuizen.’

‘Wat zijn gildehuizen?’

‘Dat is een huis waar vroeger mensen zaten die allemaal hetzelfde werk deden. Zo’n groep mensen heette een gilde. Ze maakten allemaal afspraken over dat werk. Over dat het netjes en goed moest zijn. En hoeveel dat dan kostte, als iemand het wilde kopen.

‘Hadden de bakkers ook zo’n gildehuis?’ vraagt Lis.

‘Jazeker. Kijk, dat deftige gebouw met dat torentje, dat is het Broodhuis. Daar verkochten de bakkers hun brood; het was hun gezamenlijke winkel. Maar het brood werd daar niet gebakken. Dat gebeurde in allemaal kleine bakkerijen. En later gingen de bakkers hun brood huis aan huis verkopen, in broodkarren. Toen stond het Broodhuis leeg. En daarna heeft de hertog van Brabant die hier de baas was, het in gebruik genomen. Want zo’n mooi deftig gebouw, dat laat je niet leeg staan.’

‘Nee, tuurlijk niet,’ vindt Pep.

Ze kijken in het rond, het is wel mooi allemaal, maar Pep en Lis zijn er gauw mee klaar.

‘Wat gaan we nu doen?’ zegt Lis.

‘Nu gaan we op zoek naar een klein mannetje dat staat te plassen,’ zegt mamma.

De kinderen kijken verbaasd van pap naar mam en naar elkaar.

‘Een mannetje dat staat te plassen?’ zegt Lis met een vies gezicht.

Ook Pep vindt het maar raar.

‘Zomaar op straat dat iedereen het kan zien?’

‘Jazeker,’ zegt pappa, en hij knipt een oogje naar mamma.

‘Dat mag toch niet?’ zegt Lis, ‘in het Jeugdjournaal zeiden ze dat je daarvoor een bekeuring krijgt.’

‘Want het is niet netjes om je piemel aan iedereen te laten zien,’ vult Pep aan, ‘en alles op straat wordt vies en gaat stinken.’

‘Dat is waar,’ lacht mam, ‘maar dit is een heel klein mannetje. Hij staat hier al honderden jaren. Hij heet Manneken Pis en hij is beroemd in de hele wereld.’

 

Even later zien ze op een straathoek, niet ver van dat grote plein, een heel klein bronzen beeldje, van een jongetje dat plast. Het is zo klein dat je er drie keer overheen kijkt, zelfs als je er naar zoekt. Het is eigenlijk een soort fonteintje. Het geeft maar een dun straaltje water, en dat komt in een stenen schaal terecht.

‘Waarom vinden ze dat hier zo mooi, een beeldje van een plassend jongetje?’ vraagt Pep.

‘Het is het symbool van Brussel geworden,’ legt pap uit, ‘en er zijn heel veel verhalen over hoe dat begonnen is. Wel zeshonderd jaar geleden. Want zo lang staat dat beeldje er al. Een van die verhalen zegt dat er lang geleden een jongetje tegen de voordeur van een heks plaste, hier op deze plek, en dat die daar zo boos over werd dat ze het jongetje in een stenen beeld betoverde, dat eeuwig moest plassen.’

‘Nou ja!’ zegt Pep en hij tikt op zijn voorhoofd. Alsof hij nog nooit heeft zitten rillen als mamma sprookjes voorlas over reuzen en heksen.

‘Er is een ander verhaal, over een man die zijn zoontje kwijt was geraakt,’ zegt mam nu. ‘Toen hij hem terugvond stond het kind net te plassen. Uit blijdschap heeft de vader toen een beeldje van een plassend jongetje laten maken.’

‘Dat vind ik wel aardig,’ zegt Lis langzaam, ‘al had de beeldenmaker wel even kunnen wachten totdat dat jongetje was uitgeplast. Nou staat hij daar voor altijd zo.’

Mamma glimlacht begrijpend.

‘Het gekste verhaal,’ vertelt pap verder, ‘gaat over een grote brand in de stad. Dat was heel gevaarlijk, want alle huizen waren van hout. Het ene huis kon het volgende huis aansteken en zo kon de hele stad afbranden. Toen heeft een klein jongetje de stad gered door tegen de vlammen te plassen en zo de brand te blussen.’

‘Nou ja zeg!’ Pep wijst weer naar zijn voorhoofd. ‘Knettergek. Een brand blussen met een plasje! Daar zijn wel honderdduizend plasjes voor nodig. Wie gelooft dat nou?’

Pappa en mamma lachen heel hard.

‘Wij hebben Hansje Brinkers, die met zijn vingertje een gaatje in de dijk dichtstopte en zo zorgde dat het land niet werd overstroomd. Dat is minstens even gek! En heel veel buitenlanders geloven dat.’

Nu moeten Pep en Lis ook lachen. Op een eiland leef je met de zee, en dan weet je dat als de woedende golven een hap nemen uit een duin of dijk, dat geen kindervinger en geen stevige mannenhand dat kan tegenhouden.

Pap en mam vertellen om beurten, dat er vroeger geen WC’s in de huizen waren.

‘Vroeger was het heel gewoon dat iedereen van alles op straat of uit het raam gooide. Als mensen ’s nachts moesten plassen, dan pakten ze een stenen pot van onder het bed en dan plasten ze daarin. En in de ochtend gooiden ze de pispot leeg, gewoon uit het slaapkamerraam, op straat.’

Pep en Lis trekken een vies gezicht.

‘Jakkiebakkie, wat een smeerkezen!’

‘Ja Pep,’ zegt mam, ‘je moest dus wel goed opletten als je in de ochtenduren over straat liep. Als er ergens boven je hoofd een raam openging, dan kon je maar beter hard weglopen.’

De kinderen vinden het allemaal erg raar.

‘Die mensen van vroeger waren wel viezerds, hè?’ vindt Lis.

‘Dat vinden wij,’ antwoordt mam, ‘maar de mensen van vroeger waren net zo als de mensen van nu. Je moet eten en drinken om te blijven leven. Wat het lichaam niet kan gebruiken, dat komt er aan de onderkant weer uit. Net als nu. En als er geen WC’s zijn dan moet je iets anders bedenken. Wat zou jij dan doen?’

Tja, op die vraag hebben Pep en Lis niet zo gauw een antwoord.

Ze denken er nog over na als ze terug zijn op de camping.

‘Ik zou een diep gat in de grond graven,’ zegt Pep na het eten.

Pappa en mamma weten niet zo gauw waar hij het over heeft. Ze zijn alweer met nieuwe reisplannen bezig.

Maar Lis snapt het meteen.

‘En dan een hokje boven dat gat zetten. Dan ziet niemand je en dan zit je droog. Net als vorig jaar dat pleehuisje bij die molen.’

Pep knikt. ‘En als dat gat bijna helemaal vol is…’

‘… dan maak je het dicht en dan graaf je een nieuw gat,’ vult Lis aan.

Tevreden dat ze hun eigen oplossing hebben bedacht voor het WC-vraagstuk, slapen ze even later in.